
In de rubriek ‘Met hart en handen’ delen de vrijwilligers van Landschapsbeheer Flevoland hun passie voor het landschap. Ze vertellen over projecten, bijzondere belevenissen en hun bijdrage aan natuur, erfgoed en leefomgeving, allemaal met hart en handen gedaan.
We gaan in gesprek met Jan van der Perk. Een erfgoedvrijwilliger met een map vol sporen, een kop koffie die koud wordt terwijl hij vertelt, en een verhaal dat begint in Meppel en eindigt in een gloednieuwe polderwijk.
Jan van der Perk is erfgoedvrijwilliger in Zeewolde. Het onderzoek naar de molenstenen deed hij op eigen initiatief, op basis van gesprekken met betrokkenen, archiefmateriaal en publicaties van onder meer Stichting Stadskorenmolen De Vlijt en Stichting Oud Meppel.
Landschapsbeheer Flevoland werkt ook aan het verhalende landschap. Dat doen we onder andere via Erfgoedhuis Flevoland, het platform waar erfgoedorganisaties en erfgoedvrijwilligers terechtkunnen voor ondersteuning en advies. Via dit netwerk kwamen we in contact met Jan van der Perk. Daar waren we bijzonder blij mee, want Jan is een zelfstandige erfgoedvrijwilliger, niet verbonden aan een stichting of organisatie.
In Flevoland zijn veel van dit soort bevlogen mensen actief: inwoners die een stukje geschiedenis van het landschap bewaren in een zelf opgebouwd archief of verzameling. Dat werk is vaak van grote waarde, maar tegelijkertijd ook kwetsbaar. Wanneer zo iemand wegvalt, dreigt immers ook een deel van die kennis en geschiedenis verloren te gaan. Daarom ondersteunen wij deze vrijwilligers graag waar we kunnen.
Met Jan raakten we in gesprek over een bijzonder onderwerp: twee molenstenen die tegenwoordig in Zeewolde liggen. Achter deze stenen blijkt een verrassend verhaal schuil te gaan, waarin landschap, geschiedenis en persoonlijke betrokkenheid samenkomen. Jan wist hierover een bijzonder verhaal te vertellen, een verhaal dat laat zien hoe tastbare resten uit het verleden nog altijd verbonden zijn met het Flevolandse landschap van nu.
We hadden al aan de telefoon gesproken, dus als Jan van der Perk binnenkomt, schuiven we meteen een stoel aan en zetten een kop koffie. Die blijft onaangeroerd staan. Want zodra hij zijn map openslaat, is er geen houden meer aan. Fotokopieën van krantenknipsels, zwart-witfoto’s, uitgeprinte archiefstukken. Hij is erfgoedvrijwilliger in Zeewolde, geen betaalde functie, geen opdracht van bovenaf. Gewoon iemand die zich afvroeg:
Het verhaal begint niet in Flevoland, maar in Meppel. Aan de Sluisgracht staat molen De Vlijt, gebouwd in 1858. In de jaren vijftig van de vorige eeuw is de molen al lang niet meer in gebruik: de wieken zijn eraf, de kap verdwenen. Barend Volkers, die er een Unileverdepot in beheert, heeft nog twee zware molenstenen die hem in de weg liggen.
Op een dag vraagt hij aan schipper Wolter Hartsuiker, wiens beurtschip De Zeemeeuw aan de kade ligt, of hij die stenen niet ergens wil dumpen. In het IJsselmeer bijvoorbeeld. Een kruikje sterkedrank maakt de deal rond.
Jan van der Perk lacht. “Zo gingen die dingen. Dat was 1953 of 1954. De dijk rond Oostelijk Flevoland was nog niet dicht, er zat nog een gat in, bij Ketelhaven. De bedoeling was om de stenen precies in dat gat te gooien, zodat ze bij het sluiten van de dijk voorgoed begraven zouden raken.”
Maar het liep anders. De stenen kwamen buiten het sluitgat terecht. Met een enorme plons, het water spoot omhoog door het asgat, verdwenen de twee stenen in de IJsselmeerbodem. Precies op de plek waar nu ongeveer Swifterbant ligt.
Enkele jaren later valt Oostelijk Flevoland droog. 54.000 hectare nieuw land. De Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gaat aan de slag: eerst riet inzaaien vanuit vliegtuigjes om de bodem te laten rijpen, dan greppels trekken, wegen aanleggen, kavels uitmeten.
Op kavel H41, even ten noorden van Swifterbant, wordt een ontginningsbedrijf gevestigd. En dan: bij het ploegen of draineren stuit men op iets zwaars in de zachte poldergrond. Twee stenen, elk meer dan duizend kilo. Ze worden opgegraven en aan weerszijden van de inrit van het bedrijf geplaatst.
Opzichter Barend Haaijer, toevallig de zoon van een molenaar uit Kolham, is er blij mee. “Die man wist wat hij had,” zegt Jan van der Perk. “Hij gaf de stenen meteen een plek van eer. Aan de toegangsweg, als een soort poort.”
Het ontginningsbedrijf verplaatst zich regelmatig, mee met het ontginningsfront. En elke keer gaan de molenstenen mee. Van Swifterbant naar Dronten. Van Dronten naar de Knarweg bij Lelystad. Van Lelystad naar Zeewolde. Steeds opnieuw worden ze aan weerszijden van de inrit geplaatst, witgekalkt, voorzien van het nieuwe kavelnummer.
“Ze werden het visitekaartje van het bedrijf,” vertelt Jan. “Haaijer zei het zelf zo: die stenen gaan altijd met ons mee. Ze hoorden erbij.”
De molenstenen vertelden zo, zonder dat iemand het bewust bedoeld had, het verhaal van de ontginning zelf. Steeds een stukje verder, steeds een nieuw stuk land. Net als het werk.
In Zeewolde is de afgelopen jaren de Polderwijk ontwikkeld. Eén van de buurten heet de Molenbuurt. Vanuit de buurt zelf kwam in 2022 het voorstel: breng de molenstenen hierheen.
De stenen staan nu tussen fietspad en rijweg, bij de entree van de Molenbuurt. Naast de stenen is een grote meerpaal geplaatst om aan te geven hoe hoog het water hier ooit stond, toen dit nog de Zuiderzee was. Op de stenen staat het kavelnummer van de kavel waarop de Molenbuurt gebouwd is, precies zoals vroeger op de ontginningsbedrijven gebruikelijk was.
In 2004 dreigt het mis te gaan. Het bedrijf van Oranjewoud, de private opvolger van de Rijksdienst, wordt ontmanteld. De vestiging in Zeewolde sluit. En de molenstenen? Verdwenen.
Jan van der Perk was destijds de man die op zoek ging. “Ik dacht: het zou toch niet zo zijn dat ze via het naastgelegen afvalbrengstation verdwenen zijn?” Via een oud-collega bij de gemeente kwamen de stenen weer op het spoor: ze lagen in Almere. Oranjewoud bleek bereid ze over te dragen aan de gemeente Zeewolde.
Op 18 september 2004, het jaar dat Zeewolde twintig jaar bestond, werden de stenen onthuld aan de Zuiderzeeweg, bij de fietsbrug naar het Vrijetijdshart. Burgemeester Tom Viezee verrichtte de onthulling.
Jan van der Perk leunt achterover. “Deze stenen zijn begonnen in een molen in Meppel, zijn gedumpt in de Zuiderzee, opgegraven uit de polder, jarenlang mee op reis geweest met een ontginningsbedrijf, en staan nu in een nieuwe wijk op de grond die er niet eens was toen ze in het water werden gegooid. Dat is het verhaal van Flevoland zelf, eigenlijk.”
Hij pakt zijn map weer op. De koffie is inderdaad koud geworden.